Learn Dutch
C1 · Verbs

Verbs of giving and taking

geven, nemen, uitlenen, uitdelen, toewijzen in formal Dutch.

  1. De raad heeft de stichting een subsidie van veertigduizend euro ___. (verlenen)
  2. Het college heeft de klager een schriftelijke ___. (verlenen)
  3. De bank heeft de instelling een lening van twee miljoen euro ___. (verstrekken)
  4. De voorzitter heeft de geluisterden de gelegenheid gegeven om vragen te ___. (stellen)
  5. De minister heeft de regio de verantwoordelijkheid voor het programma ___. (overdragen)
  6. De bewoners hebben tegen de aannemer bezwaar ___. (maken)
  7. De directeur heeft de werknemers een jaar de tijd ___. (geven)
  8. De gemeenteraad heeft de bewoners een termijn van zes weken ___. (geven)
  9. Het college heeft de ontwerper de opdracht gegeven het plein opnieuw te ___. (inrichten)
  10. De inspectie heeft de instelling de gelegenheid gegeven zich te ___. (verdedigen)
  11. De commissie heeft de betrokkenen de gelegenheid gegeven hun zienswijze in te ___. (dienen)
  12. De stichting heeft de bewoners een plek in het wijkplatform ___. (aanbieden)