C1 · Verbs
Verbs of causing and effect
veroorzaken, veroorzaken, aanleiding geven, leiden tot, bijdragen.
- De schokkende cijfers ___ een breed maatschappelijk debat. (veroorzaken)
- De nieuwe heffing kan een aanzienlijke daling van het gebruik ___. (uitlokken)
- De regering verwacht dat de maatregelen tot een hogere opbrengst zullen ___. (leiden)
- De omwonenden hebben bezwaar gemaakt omdat de plannen ___ verkeersdrukte. (veroorzaken)
- Het ontbreken van een regie is in belangrijke mate de oorzaak van de ___. (vertraging)
- De belastingmaatregel heeft geleid tot een ___ van de bewoners. (verzet)
- De toezichthouder gaf aanleiding tot een nader ___ van de dossiers. (onderzoek)
- De stijgende vraag heeft de bezetting van de fietsenstalling ___ de wijk meestal wel op de problemen. (veroorzaken)
- De samenwerking tussen de gemeenten heeft het mogelijk gemaakt de kosten te ___. (delen)
- De strengere regels hebben de bescherming van de leefomgeving aanzienlijk ___. (versterken)
- Het ontbreken van draagvlak was de belangrijkste reden dat het plan werd ___. (ingetrokken)
- De bewoners verwachten dat de maatregelen de luchtkwaliteit zullen ___. (verbeteren)