Learn Dutch
C1 · Verbs

Verbs of causing and effect

veroorzaken, veroorzaken, aanleiding geven, leiden tot, bijdragen.

  1. De schokkende cijfers ___ een breed maatschappelijk debat. (veroorzaken)
  2. De nieuwe heffing kan een aanzienlijke daling van het gebruik ___. (uitlokken)
  3. De regering verwacht dat de maatregelen tot een hogere opbrengst zullen ___. (leiden)
  4. De omwonenden hebben bezwaar gemaakt omdat de plannen ___ verkeersdrukte. (veroorzaken)
  5. Het ontbreken van een regie is in belangrijke mate de oorzaak van de ___. (vertraging)
  6. De belastingmaatregel heeft geleid tot een ___ van de bewoners. (verzet)
  7. De toezichthouder gaf aanleiding tot een nader ___ van de dossiers. (onderzoek)
  8. De stijgende vraag heeft de bezetting van de fietsenstalling ___ de wijk meestal wel op de problemen. (veroorzaken)
  9. De samenwerking tussen de gemeenten heeft het mogelijk gemaakt de kosten te ___. (delen)
  10. De strengere regels hebben de bescherming van de leefomgeving aanzienlijk ___. (versterken)
  11. Het ontbreken van draagvlak was de belangrijkste reden dat het plan werd ___. (ingetrokken)
  12. De bewoners verwachten dat de maatregelen de luchtkwaliteit zullen ___. (verbeteren)