Learn Dutch
C1 · Verbs

Promising and insisting

toezeggen, beloven, eisen, aandringen, volhouden in formal Dutch.

  1. De minister zegde toe dat de maatregelen vóór de zomer ___ worden ingevoerd. (worden)
  2. De wethouder heeft de bewoners ___ dat de geluidsoverlast binnen een half jaar verdwijnt. (toezeggen)
  3. De ondernemingsraad heeft erop ___ dat de procedure eerst wordt geëvalueerd. (aandringen)
  4. De rekenkamer eist dat de minister de berekeningen openbaar ___. (maken)
  5. De vakbond volhoudt dat de verplichtingen in de cao niet zijn ___ na de reorganisatie. (verwateren)
  6. De voorzitter beloofde de commissie dat zij de aanvraag vóór de vergadering zou ___. (beoordelen)
  7. De raad heeft van de minister een toezegging ___ dat de bezuiniging niet doorgezet wordt. (verkrijgen)
  8. De bewoners hielden vol dat de raad de beloften deze zomer nog moet ___. (nakomen)
  9. De commissie eiste dat de externe adviseur de gegevens opnieuw zou ___. (controleren)
  10. De bestuurder heeft de bewoners ertoe weten ___ dat de diensten niet worden ingeperkt. (bewegen)
  11. De inspectie heeft er bij de aanvrager op ___ dat de juiste stukken worden ingediend. (aandringen)
  12. De regering heeft de extra middelen toegezegd voor zover die ___. (noodzakelijk)