Learn Dutch
C1 · Verbs

Regretting and hinting

betreuren, spijt hebben, duidelijk maken, aanstippen, hinten.

  1. De minister betreurde dat de bewoners nog niet over de plannen zijn ___. (geïnformeerd)
  2. De directie heeft spijt van de manier waarop de klant is ___. (behandeld)
  3. De voorzitter maakte duidelijk dat de termijn voor de reactie te ___ was. (krap)
  4. De secretaris wees er fijntjes op dat de stukken nog niet compleet ___. (waren)
  5. De rekenkamer heeft in het rapport laten weten dat zij de berekeningen heeft ___. (gecontroleerd)
  6. De wethouder heeft in de raadsvergadering laten doorschemeren dat er een nieuw plan ___. (komen)
  7. Het bestuur betreurt de gang van zaken en heeft de betrokkenen gevraagd om hun ___. (medewerking)
  8. De adviseur heeft subtiel aangegeven dat de berekening niet helemaal ___ was. (kloppen)
  9. De minister heeft spijt van de beslissing om de aanvraag toe te ___. (wijzen)
  10. De voorzitter gaf met zoveel woorden te ___ dat de begroting niet was goedgekeurd. (begrijpen)
  11. De raad heeft zijn teleurstelling uitgesproken over het uitblijven van een ___. (reactie)
  12. De toezichthouder heeft bezwaar gemaakt tegen de manier waarop de instelling de melding heeft ___. (behandeld)