C1 · Verbs
Emphasising and doubting
benadrukken, onderstrepen, twijfelen, betwijfelen, aarzelen.
- De voorzitter benadrukte dat de termijn voor de zienswijzen niet wordt ___. (verlengd)
- De minister onderstreepte dat de maatregelen niet bedoeld ___ voor de middengroep. (zijn)
- De beoordelaars twijfelden ___ de haalbaarheid van het plan binnen twee jaar. (twijfelen over)
- De commissie betwijfelde of de stijging van de kosten aan de ingreep te ___ was. (wijten)
- De directie benadrukte dat de klant geen enkele klacht heeft ___. (ingediend)
- Het college aarzelde om de tarieven al in januari aan te ___. (passen)
- De rekenkamer heeft in het rapport nadrukkelijk benadrukt dat de steekproef te klein ___. (was)
- De voorzitter benoemde dat de beslissing unaniem genomen ___. (is)
- De stichting twijfelt nog ___ de haalbaarheid van een eigen vestiging in het dorp. (twijfelen over)
- De adviseur benoemde dat er nog een aantal onduidelijkheden in de regelgeving ___. (zijn)
- De raad heeft er nadrukkelijk op gewezen dat de procedure zorgvuldig moet ___. (zijn)
- De belangenorganisatie benadrukt dat de bewoners niet zijn geïnformeerd over de werkelijke ___. (kosten)