Learn Dutch
C1 · Verbs

Emphasising and doubting

benadrukken, onderstrepen, twijfelen, betwijfelen, aarzelen.

  1. De voorzitter benadrukte dat de termijn voor de zienswijzen niet wordt ___. (verlengd)
  2. De minister onderstreepte dat de maatregelen niet bedoeld ___ voor de middengroep. (zijn)
  3. De beoordelaars twijfelden ___ de haalbaarheid van het plan binnen twee jaar. (twijfelen over)
  4. De commissie betwijfelde of de stijging van de kosten aan de ingreep te ___ was. (wijten)
  5. De directie benadrukte dat de klant geen enkele klacht heeft ___. (ingediend)
  6. Het college aarzelde om de tarieven al in januari aan te ___. (passen)
  7. De rekenkamer heeft in het rapport nadrukkelijk benadrukt dat de steekproef te klein ___. (was)
  8. De voorzitter benoemde dat de beslissing unaniem genomen ___. (is)
  9. De stichting twijfelt nog ___ de haalbaarheid van een eigen vestiging in het dorp. (twijfelen over)
  10. De adviseur benoemde dat er nog een aantal onduidelijkheden in de regelgeving ___. (zijn)
  11. De raad heeft er nadrukkelijk op gewezen dat de procedure zorgvuldig moet ___. (zijn)
  12. De belangenorganisatie benadrukt dat de bewoners niet zijn geïnformeerd over de werkelijke ___. (kosten)