Learn Dutch
C1 · Verbs

Guessing and blaming

vermoeden, gissen, raden, schuldig geven, aanwijzen.

  1. De onderzoekers vermoeden dat de beschadiging al jaren geleden is ___. (ontstaan)
  2. De raad gaf de schuld ___ het ontbreken van regie bij de uitvoering van het plan. (geven aan)
  3. De rapporteur gokte dat de bewoners het voorstel zonder discussie zouden ___. (aannemen)
  4. De inspectie heeft de aannemer aangewezen als de partij die de vertraging had ___. (veroorzaakt)
  5. De bewoners vermoedden dat de geluidsoverlast al jaren vóór de verbouwing ___. (bestaan)
  6. Niemand kon gissen waarom de aannemer de planning plotseling had ___. (gewijzigd)
  7. De rekenkamer heeft de slechte communicatie aangewezen als de belangrijkste oorzaak van het ___. (falen)
  8. De minister weigert de schuld aan de vertraging aan de bewoners toe te ___. (schrijven)
  9. De secretaris raadde de aanvrager aan de documenten opnieuw in te ___. (dienen)
  10. De vertegenwoordigers vermoedden dat de directie de klachten bewust heeft ___. (genegeerd)
  11. Het college gaf de slechte planning de schuld ___ de extra bewerkingen. (geven aan)
  12. De onderzoeker vermoedt dat de lage opkomst deDiscussie over de bezuinigingen heeft ___. (bevoordeeld)