C1 · Verbs
Guessing and blaming
vermoeden, gissen, raden, schuldig geven, aanwijzen.
- De onderzoekers vermoeden dat de beschadiging al jaren geleden is ___. (ontstaan)
- De raad gaf de schuld ___ het ontbreken van regie bij de uitvoering van het plan. (geven aan)
- De rapporteur gokte dat de bewoners het voorstel zonder discussie zouden ___. (aannemen)
- De inspectie heeft de aannemer aangewezen als de partij die de vertraging had ___. (veroorzaakt)
- De bewoners vermoedden dat de geluidsoverlast al jaren vóór de verbouwing ___. (bestaan)
- Niemand kon gissen waarom de aannemer de planning plotseling had ___. (gewijzigd)
- De rekenkamer heeft de slechte communicatie aangewezen als de belangrijkste oorzaak van het ___. (falen)
- De minister weigert de schuld aan de vertraging aan de bewoners toe te ___. (schrijven)
- De secretaris raadde de aanvrager aan de documenten opnieuw in te ___. (dienen)
- De vertegenwoordigers vermoedden dat de directie de klachten bewust heeft ___. (genegeerd)
- Het college gaf de slechte planning de schuld ___ de extra bewerkingen. (geven aan)
- De onderzoeker vermoedt dat de lage opkomst deDiscussie over de bezuinigingen heeft ___. (bevoordeeld)