C1 · Verbs
Praising and negotiating
waarderen, prijzen, loven, onderhandelen, schikken, afdingen.
- De voorzitter ___ de rustige en zakelijke sfeer tijdens de vergadering. (waarderen)
- De gemeenteraad ___ het doorzettingsvermogen van de buurtbewoners in het dossier. (prijzen om)
- De onderzoeker ___ de zorgvuldige opzet van de studie. (loven)
- De onderhandelaars hebben twee weken over de hoogte van het bedrag ___. (onderhandelen over)
- De partijen hebben in de geest van het akkoord over de vergoeding ___. (schikken)
- De leverancier heeft de prijs met tien procent ___. (afdingen op)
- De raad waardeerde dat de bewoners hun bedenkingen schriftelijk hebben ___. (kenbaar maken)
- Het bestuur ___ de medewerkers die de omschrijving vrijwillig hebben aangepast. (prijzen om)
- De onderhandelaars van de vakbond wilden over de personeelsuitgifte ___. (afdingen op)
- De rekenkamer ___ de open houding van de directie tijdens het onderzoek. (waarderen)
- De vereniging van ouderen heeft bij de onderhandelingen gehamerd op een ___ behoud. (garantie)
- Het college heeft met de vakbond over de toekomst van het overschot ___. (onderhandelen over)