Learn Dutch
C1 · Verbs

Praising and negotiating

waarderen, prijzen, loven, onderhandelen, schikken, afdingen.

  1. De voorzitter ___ de rustige en zakelijke sfeer tijdens de vergadering. (waarderen)
  2. De gemeenteraad ___ het doorzettingsvermogen van de buurtbewoners in het dossier. (prijzen om)
  3. De onderzoeker ___ de zorgvuldige opzet van de studie. (loven)
  4. De onderhandelaars hebben twee weken over de hoogte van het bedrag ___. (onderhandelen over)
  5. De partijen hebben in de geest van het akkoord over de vergoeding ___. (schikken)
  6. De leverancier heeft de prijs met tien procent ___. (afdingen op)
  7. De raad waardeerde dat de bewoners hun bedenkingen schriftelijk hebben ___. (kenbaar maken)
  8. Het bestuur ___ de medewerkers die de omschrijving vrijwillig hebben aangepast. (prijzen om)
  9. De onderhandelaars van de vakbond wilden over de personeelsuitgifte ___. (afdingen op)
  10. De rekenkamer ___ de open houding van de directie tijdens het onderzoek. (waarderen)
  11. De vereniging van ouderen heeft bij de onderhandelingen gehamerd op een ___ behoud. (garantie)
  12. Het college heeft met de vakbond over de toekomst van het overschot ___. (onderhandelen over)