C1 · Verbs
Persuading and reminding
overtuigen, overtuigen, herinneren, attenderen, aanmanen.
- De rapporteur ___ de commissie van de noodzaak van een onafhankelijke controle. (overtuigen van)
- De voorzitter ___ de leden eraan de termijn van de reactie in acht te nemen. (herinneren aan)
- De inspectie heeft de instelling ___ dat de meldplicht goldt in de nieuwe situatie. (wijzen op)
- De belangenorganisatie heeft de bewoners overtuigd om mee te ___ aan de procedure. (doen)
- De secretaris ___ de leden op de nieuwe regels voor het indienen van zienswijzen. (attenderen op)
- De raad heeft de directie aangemaand de bewoners sneller te ___. (informeren)
- De minister heeft de gemeenten ervan ___ dat de nieuwe regels noodzakelijk zijn. (overtuigen van)
- De rekenkamer ___ het college eraan dat de motivering destijds ontbrak. (herinneren aan)
- De stichting heeft de gemeente overtuigd de toegang tot het gebouw te ___. (verbreden)
- De wethouder heeft de bewoners eraan ___ dat de zienswijzen openbaar worden gemaakt. (herinneren aan)
- De inspectie heeft erop aangedrongen dat de aanvraag binnen de termijn opnieuw wordt ___. (ingediend)
- De directeur heeft de medewerkers opgedragen de nieuwe werkwijze toe te ___. (passen)