Learn Dutch
C1 · Verbs

Persuading and reminding

overtuigen, overtuigen, herinneren, attenderen, aanmanen.

  1. De rapporteur ___ de commissie van de noodzaak van een onafhankelijke controle. (overtuigen van)
  2. De voorzitter ___ de leden eraan de termijn van de reactie in acht te nemen. (herinneren aan)
  3. De inspectie heeft de instelling ___ dat de meldplicht goldt in de nieuwe situatie. (wijzen op)
  4. De belangenorganisatie heeft de bewoners overtuigd om mee te ___ aan de procedure. (doen)
  5. De secretaris ___ de leden op de nieuwe regels voor het indienen van zienswijzen. (attenderen op)
  6. De raad heeft de directie aangemaand de bewoners sneller te ___. (informeren)
  7. De minister heeft de gemeenten ervan ___ dat de nieuwe regels noodzakelijk zijn. (overtuigen van)
  8. De rekenkamer ___ het college eraan dat de motivering destijds ontbrak. (herinneren aan)
  9. De stichting heeft de gemeente overtuigd de toegang tot het gebouw te ___. (verbreden)
  10. De wethouder heeft de bewoners eraan ___ dat de zienswijzen openbaar worden gemaakt. (herinneren aan)
  11. De inspectie heeft erop aangedrongen dat de aanvraag binnen de termijn opnieuw wordt ___. (ingediend)
  12. De directeur heeft de medewerkers opgedragen de nieuwe werkwijze toe te ___. (passen)