Learn Dutch
C1 · Verbs

Surprising and annoying

verwonderen, verbazen, verbouderen, ergeren, hinderen, lastig vallen.

  1. Het college ___ zich over het grote aantal bezwaren van de bewoners. (verwonderen over)
  2. De raad verbaasde zich over het feit dat niemand de vergissing had ___. (opmerken)
  3. De bewoners ___ zich over de aanhoudende geluidsoverlast van de werkzaamheden. (ergeren over)
  4. De omwonenden hebben het lawaai van de uitbreiding altijd al ___. (vervelend vinden)
  5. De commissie heeft zich ___ over de late reactie van de aanbestedende dienst. (verbouderen over)
  6. Het trage tempo van de procedure heeft de betrokkenen flink ___. (gehinderd)
  7. De overlast van de vroege ochtendcontainers ___ de bewoners van de straat. (hinderen)
  8. De stichting heeft de bewoners geïnformeerd over de maatregelen die de overlast moeten ___. (verminderen)
  9. Het plotselinge besluit heeft de medewerkers volledig ___. (verbaasd)
  10. De raad heeft zich het meest ___ over het ontbreken van een motivering. (verwonderen over)
  11. De bewoners hebben bezwaar gemaakt omdat de werkzaamheden hun dagelijkse routine bleven ___. (verstoren)
  12. Het college heeft de bewoners laten weten dat de overlast vanaf deze week zal ___. (afnemen)