Learn Dutch
C1 · Verbs

Reassuring and flattering

geruststellen, geruststellen, vleien, complimenteren, prijzen.

  1. De minister heeft de ouders ___ dat de veiligheid van de kinderen gegarandeerd is. (geruststellen)
  2. De directie heeft de medewerkers ___ over de voortgang van de reorganisatie. (geruststellen over)
  3. De interviewer ___ de kandidaat om hem meer over zijn plannen te laten vertellen. (vleien)
  4. De wethouder ___ de bewoners met hun geduld tijdens de werken. (complimenteren met)
  5. De voorzitter stelde de gasten ___ over de duur van de procedure. (geruststellen over)
  6. De rekenkamer stelde de burgers ___ dat de kosten niet in de accountancy vallen. (geruststellen)
  7. De partijen hebben de onderhandelaar ___ om hem sneller te laten beslissen. (vleien)
  8. De directie heeft de bewoners ___ over de oplevertermijn van de woning. (geruststellen over)
  9. De minister ___ de gemeente met de snelle afhandeling van de aanvraag. (complimenteren met)
  10. De toezichthouder stelde de instelling ___ dat de normen ruim binnen de termijn gecontroleerd zijn. (geruststellen)
  11. De raad stelde de vragen van de bewoners ___ door de cijfers open te leggen. (geruststellen)
  12. Het college heeft de bewoners ___ met de toezegging over de nieuwe parkeerplaatsen. (vleien met)