Learn Dutch
C1 · Verbs

Fearing and daring

vrezen, duidelijk vrezen, schrikken, durven, wagen, riskeren.

  1. De bewoners ___ voor een afschaling van het voorzieningenniveau in de wijk. (vrezen voor)
  2. De stichting vreesde dat de bewoners de procedures niet zouden ___. (begrijpen)
  3. De raad ___ het om de beslissing van het college aan te vechten. (wagen)
  4. De minister durfde niet te zeggen dat de maatregelen een effect zouden ___. (hebben)
  5. De inspectie ___ van de omvang van de achterstand in de dossierverwerking. (schrikken van)
  6. De directie ___ een boete door de meldtermijn te overschrijden. (riskeren)
  7. De bewoners hebben hun positie in de buurt ___ door bezwaar te maken. (wageren)
  8. De raad ___ het risico niet te nemen dat de bewoners hun steun intrekken. (durven)
  9. Het college ___ voor verlies van de steun van de lokale ondernemers. (vrezen voor)
  10. De aangeklaagde ___ voor de gevolgen van zijn bekentenis. (vrezen voor)
  11. De onderzoekers hebben hun loopbaan op het spel ___ door de misstanden aan het licht te brengen. (zetten)
  12. De stichting ___ liever een kleiner risico dan een procedure die de gemeenschap verdeelt. (wagen)