C1 · Verbs
Bothering other people
lastig vallen, storen, betuttelen and other verbs of annoyance.
- De persoonlijke vragen van de journalist ___ de directeur lastig. (lastig vallen)
- Nieuwe bouwverkeersborden ___ het uitzicht van de dorpskerk. (storen)
- De overheid wordt ervan beschuldigd de burgers te ___. (betuttelen)
- De fietsers ___ elkaar in de weg in de smalle straat. (in de weg lopen)
- Hij valt me steeds ___ met zijn vragen over de procedure. (lastig vallen)
- De raad heeft de klager gevraagd de directie niet meer lastig te ___. (lastig vallen)
- De bouwkeet van de aannemer ___ al dagenlang in de weg. (in de weg staan)
- De geparkeerde auto's ___ de doorgang voor de bus. (versperren)
- De secretaris vond het ongemakkelijk de directeur steeds op de gang ___ met vragen. (storen)
- De gemeente heeft de omwonenden gevraagd de aannemer niet te ___ tijdens de werkzaamheden. (lastig vallen)
- De voorzitter vroeg de deelnemers niet te ___ tijdens de behandeling van de begroting. (bellen)
- De raad heeft de aannemer opgedragen de bewoners vooraf te ___ over de hinder. (informeren)