Learn Dutch
C1 · Verbs

Bothering other people

lastig vallen, storen, betuttelen and other verbs of annoyance.

  1. De persoonlijke vragen van de journalist ___ de directeur lastig. (lastig vallen)
  2. Nieuwe bouwverkeersborden ___ het uitzicht van de dorpskerk. (storen)
  3. De overheid wordt ervan beschuldigd de burgers te ___. (betuttelen)
  4. De fietsers ___ elkaar in de weg in de smalle straat. (in de weg lopen)
  5. Hij valt me steeds ___ met zijn vragen over de procedure. (lastig vallen)
  6. De raad heeft de klager gevraagd de directie niet meer lastig te ___. (lastig vallen)
  7. De bouwkeet van de aannemer ___ al dagenlang in de weg. (in de weg staan)
  8. De geparkeerde auto's ___ de doorgang voor de bus. (versperren)
  9. De secretaris vond het ongemakkelijk de directeur steeds op de gang ___ met vragen. (storen)
  10. De gemeente heeft de omwonenden gevraagd de aannemer niet te ___ tijdens de werkzaamheden. (lastig vallen)
  11. De voorzitter vroeg de deelnemers niet te ___ tijdens de behandeling van de begroting. (bellen)
  12. De raad heeft de aannemer opgedragen de bewoners vooraf te ___ over de hinder. (informeren)