Learn Dutch
C1 · Verbs

Competing and outbidding

concurreren, meedingen, boten, uitdagen, overtreffen in a market context.

  1. Twee ondernemers ___ om de aanbesteding van de gemeentelijke catering. (medingen om)
  2. De nieuwe aanbieder moet de gevestigde concurrent in omzet nog ___. (overtreffen)
  3. De gemeenten ___ met elkaar om de bedrijvigheid op het bedrijventerrein. (concurreren met)
  4. De twee organisaties ___ elkaar in de strijd om de gemeentelijke subsidie. (boten om)
  5. De raad heeft de gemeentelijke diensten willen ___ met private partijen. (uitdagen)
  6. De gemeenten moeten hun aanbestedingen onderling ___ zodat dezelfde bedrijven niet twee keer worden benaderd. (afstemmen)
  7. Veel klanten zijn naar een andere leverancier ___. (overstappen)
  8. Het marktaandeel van de grootste aanbieder is het afgelopen jaar flink ___. (toenemen)
  9. De consumentenorganisatie heeft de concurrentie op de zorgverzekeringsmarkt scherp ___. (aanspreken)
  10. Zonder die maatregel had de kleinste aanbieder zijn marktaandeel ___. (verliezen)
  11. De partijen ___ om de bewindelijking in de wijk. (strijden om)
  12. De raad heeft de bewoners gevraagd de twee ontwerpen met elkaar te ___. (vergelijken)