C1 · Verbs
Competing and outbidding
concurreren, meedingen, boten, uitdagen, overtreffen in a market context.
- Twee ondernemers ___ om de aanbesteding van de gemeentelijke catering. (medingen om)
- De nieuwe aanbieder moet de gevestigde concurrent in omzet nog ___. (overtreffen)
- De gemeenten ___ met elkaar om de bedrijvigheid op het bedrijventerrein. (concurreren met)
- De twee organisaties ___ elkaar in de strijd om de gemeentelijke subsidie. (boten om)
- De raad heeft de gemeentelijke diensten willen ___ met private partijen. (uitdagen)
- De gemeenten moeten hun aanbestedingen onderling ___ zodat dezelfde bedrijven niet twee keer worden benaderd. (afstemmen)
- Veel klanten zijn naar een andere leverancier ___. (overstappen)
- Het marktaandeel van de grootste aanbieder is het afgelopen jaar flink ___. (toenemen)
- De consumentenorganisatie heeft de concurrentie op de zorgverzekeringsmarkt scherp ___. (aanspreken)
- Zonder die maatregel had de kleinste aanbieder zijn marktaandeel ___. (verliezen)
- De partijen ___ om de bewindelijking in de wijk. (strijden om)
- De raad heeft de bewoners gevraagd de twee ontwerpen met elkaar te ___. (vergelijken)