Learn Dutch
C1 · Verbs

Thanking formally

bedanken voor, dank uitspreken, waardering tonen, erkentelijkheid.

  1. De voorzitter ___ de vrijwilligers voor hun inzet tijdens het festival. (bedanken voor)
  2. De minister sprak zijn ___ uit voor de medewerkers van de crisisorganisatie. (dank uitspreken voor)
  3. Het college heeft de bewoners een blijk van ___ gegeven voor hun medewerking. (een blijk van dank geven)
  4. De rekenkamer ___ de ambtenaren voor de zorgvuldige voorbereiding van het dossier. (bedanken voor)
  5. De voorzitter ___ de gastspreker voor zijn heldere bijdrage aan het symposium. (danken voor)
  6. De stichting ___ de vrijwilligers hartelijk voor hun onbaanschikkelijke inzet. (danken voor)
  7. De raad heeft aan de commissie zijn dank ___. (dank uitspreken aan)
  8. De directeur heeft de medewerkers bedankt voor hun inzet en hun een lunch ___. (aanbieden)
  9. De raad heeft de bewoners bedankt voor hun bijdrage aan het ontwerp en hun waardering ___. (waardering uitspreken voor)
  10. De directie bedankt de klanten voor hun geduld en biedt hun een compensatie ___. (compensatie aanbieden)
  11. De voorzitter bedankde de ouders voor hun komst en sprak voor hen zijn waardering ___. (waardering uitspreken voor)
  12. De gemeentelijke dienst bedankt de melder en ___ op de hoogte van de afhandeling. (op de hoogte houden van)