Learn Dutch
C1 · Verbs

Hoping and wishing

hopen op, wensen, verlangen naar, hoop uitstotenen.

  1. De bewoners ___ op een spoedig besluit van de gemeenteraad. (hopen op)
  2. De minister hoopte dat de partijen de begroting vóór de zomer zouden ___. (bespreken)
  3. De jongste van de familie ___ dat hij in het buitenland wil werken. (wensen)
  4. De directeur ___ naar een rustiger klantenbestand. (verlangen naar)
  5. De raad heeft de bewoners om ___ voor een langer overleg gevraagd. (begrip)
  6. Het college heeft ___ uitgestoten over het uitstel van de herinrichting. (hoop uitstotenen)
  7. De auteur wenst de lezers ___ inspiratie bij de tekst. (bieden)
  8. De studenten ___ dat hun docent hen op de stage-uren wijst. (hopen)
  9. De raadslid ___ liever een kleiner pakket maatregelen dan een lege belofte. (verlangen naar)
  10. De bewoners hoopten dat hun klacht snel genoeg zou worden ___. (behandelen)
  11. De stichting heeft de gemeenteraad gevraagd de aanvraag in behandeling te ___. (nemen)
  12. De voorzitter wenste de sprekers ___ met hun bijdragen aan het debat. (bedanken)