Learn Dutch
C1 · Verbs

Needing and requiring

noden, vereisen, gebrek hebben, aanspraak maken op.

  1. De aanvraag ___ een medische verklaring en een kopie van de identiteitskaart. (vereisen)
  2. De bewoners hebben ___ aan extra parkeerplaatsen in de wijk. (gebrek hebben aan)
  3. De aanbieder dient de uitvoering van de opdracht naar de eisen van de bestekken ___. (beantwoorden aan)
  4. De nieuwe regels ___ dat elke aanbieder een eigen controlesysteem moet invoeren. (vereisen)
  5. De bewoners maken ___ op een volwaardige plek in het openbaar vervoer. (aanspraak maken op)
  6. De directie heeft de medewerkers gevraagd de nieuwe werkwijze zonder hulpmiddelen te ___. (beantwoorden aan)
  7. Het college heeft de bewoners om hulp ___. (vragen)
  8. De bewoners ___ een gezamenlijk standpunt over het ontwerp. (noden)
  9. De aanbesteding ___ de aanwezigheid van een ISO-certificering. (vereisen)
  10. De rekenkamer heeft in het rapport de regelgeving als onvolledig ___. (bevinden)
  11. De huurdersorganisatie heeft de woningcorporatie gedwongen tot herstel van de schade te ___. (verplichten)
  12. De staat secretaris ___ steeds meer zorg voor ouderen in de regio. (noden)