Learn Dutch
C1 · Verbs

Trying and attempting

proberen, trachten, pogen, ernaar streven, het waarderen.

  1. De aannemer ___ de oplevering van het gebouw een week uit te stellen. (proberen)
  2. Het college streeft ernaar de wachttijd bij de aanvraagprocedure te ___. (verkorten)
  3. De onderzoekers ___, maar het verband tussen de twee factoren bleek onbewezen. (pogen)
  4. De burgemeester ___ de slechte bereikbaarheid van het centrum met de bewoners te bespreken. (trachten)
  5. De directie heeft de medewerkers gevraagd zich ___ de doelstellingen van het jaar. (zich erop toeleggen)
  6. De rekenkamer kon niet ___ waarom de cijfers zo laat waren gepubliceerd. (verklaren)
  7. De bewoners hebben de directie gevraagd de hinder ___ te beperken. (trachten)
  8. Het ministerie ___, maar de regering wilde geen nieuwe regels. (pogen)
  9. De studenten ___ een stageplaats bij een gemeentelijke dienst te vinden. (proberen)
  10. De raad heeft de wethouder gevraagd de bezuiniging ___ te vermijden. (pogen)
  11. De inspectie heeft de instelling gevraagd de werkwijze grondig te ___. (evalueren)
  12. Na jaren volhouden lukte het de bewoners eindelijk de bebouwing aan de rand van het dorp te ___. (afwenden)