Learn Dutch
C1 · Verbs

Managing and overseeing

leiden, besturen, toezicht houden op, regelen, aansturen.

  1. De directeur ___ het team van twintig medewerkers al sinds 2019. (leiden)
  2. De raad houdt toezicht op de ___. (aansturing)
  3. Het college heeft de werving van nieuwe medewerkers op de gang ___ . (brengen)
  4. De afdelingshoofden ___ de voortgang van de projecten. (aansturen)
  5. De rekenkamer heeft de uitvoering van de regeling grondig ___. (onderzoeken)
  6. De directeur ___ de afdeling dagelijks met een korte vergadering. (leiden)
  7. De bewoners moeten zelf het onderhoud van hun straat ___. (regelen)
  8. Het bestuur van de stichting ___ de portefeuilleverdeling jaarlijks. (vaststellen)
  9. De gemeente ___ een Taskforce voor de leefbaarheid in de wijk op. (oprichten)
  10. De voorzitter ___ de vergadering volgens een vast agendapunt. (leiden)
  11. De minister heeft de gemeenten aangespoord de zorgvuldigheidsplicht ___ te nemen. (aansturen)
  12. De rekenkamer heeft de uitvoering van de subsidies aan de provinces ___. (toezicht houden op)