Learn Dutch
C1 · Verbs

Risking and endangering

risico nemen, in gevaar brengen, op het spel zetten, blootstellen aan.

  1. Het college ___ zijn populariteit met dit besluit over de parkeertarieven. (risico nemen op)
  2. De aannemer mag de bewoners niet aan gevaar ___ voor de openbare weg. (blootstellen aan)
  3. De bewoners vinden dat de veiligheid van de speelplaats in het gevaar ___ door het wegvallen van het hekwerk. (in gevaar brengen)
  4. De directie wil de reputatie van het ziekenhuis niet op het spel ___. (zetten)
  5. De belastinginspecteur waarschuwt dat het belastingvoordeel risico's ___ met zich meebrengt. (met zich meebrengen)
  6. De raad wil het budget niet in gevaar ___. (brengen)
  7. De bewoners moeten hun gegevens beschermen tegen misbruik, omdat identiteitsfraude een ernstig risico ___. (vormen)
  8. Het college heeft de bewoners gewaarschuwd dat de verhoging van de tarieven de huurders in gevaar kan ___. (brengen)
  9. De ondernemer weigert de extra risico's van de markt ___. (nemen)
  10. De ouders zijn bezorgd dat de verkeerssituatie de veiligheid van de fietsers in gevaar ___. (brengt)
  11. De verzekeraar dekt de schade niet als de huurder zelf het risico ___. (neemt)
  12. De rekenkamer heeft de minister gewaarschuwd dat het uitstel de geloofwaardigheid van het beleid in gevaar ___. (brengt)