Learn Dutch
C1 · Verbs

Confessing and owning up

biechten, bekennen, schuld erkennen, uit de schulde kom.

  1. De verdachte ___ dat hij de meldingsplicht had genegeerd. (bekennen dat)
  2. De aangeklaagde is bereid zijn schuld voor de overschrijding te ___. (erkennen)
  3. Na de hoorzitting ___ de beschuldigde zijn fouten tegenover de commissie. (biechten)
  4. De directie heeft in het jaarverslag de fouten in de procedure ___. (bekennen)
  5. De ombudsman heeft de instelling gevraagd de klacht grondig te ___. (onderzoeken)
  6. De raad heeft de wethouder gevraagd ___ van de eerdere toezeggingen. (afwijken van)
  7. De onderzoekscommissie concludeert dat de dienst ___ van de zorgplicht heeft onkundig willen zijn. (zich onkundig verklaren aan)
  8. De aannemer heeft ___ dat de schade tijdens de storm was ontstaan. (bekennen dat)
  9. In de hoorzitting ___ de verdachte de beschuldiging van de corruptie. (weerleggen)
  10. De raad heeft de bewoners gevraagd zich achter het voorstel te ___. (scharen)
  11. De betrokken ambtenaar moest de onregelmatigheden in het dossier ___. (toegeven)
  12. Na de integriteitscommissie heeft de wethouder zijn fouten in het openbaar ___. (bekennen)