Learn Dutch
C1 · Verbs

Recognising and identifying

herkennen, identificeren, onderscheiden, aanwijzen als.

  1. De bewoners ___ de schutter van de eerdere geluidsoverlast direct na de eerste waarschuwing. (herkennen)
  2. De politie heeft de verdachte kunnen ___ aan de hand van het beeldmateriaal. (identificeren)
  3. In het rapport onderscheidt de rekenkamer de structurele problemen van de incidentele ___. (afwijkingen)
  4. De bewoners ___ het gebouw meteen na de renovatie. (herkennen)
  5. Het college heeft de woonlast per wijk in kaart willen ___. (brengen)
  6. De bewoners moeten de oude kast ___ met het adres van de wooncorporatie. (herkennen)
  7. De ombudsman heeft de klacht kunnen ___ aan de hand van de stukken. (beoordelen)
  8. De onderzoeker heeft de twee dossiers zorgvuldig met elkaar ___ . (vergelijken)
  9. De raad heeft de burgers gevraagd het nieuwe ontwerp van de oude gevel te ___. (onderscheiden)
  10. De brandweer heeft de oorzaak van de brand in het pand kunnen ___. (herkennen)
  11. De belastingdienst moet de belastingplichtige op een eenvoudige manier kunnen ___. (identificeren)
  12. De rekenkamer heeft in het rapport aangegeven welke posten niet te ___ waren. (verifiëren)