Learn Dutch
C1 · Verbs

Declaring and announcing

aankondigen, verklaren, uitspreken, mededelen, kondigen aan.

  1. Het college ___ aan dat de vergadering van de gemeenteraad is uitgesteld. (aankondigen)
  2. De minister ___ in een persconferentie dat er een onafhankelijk onderzoek komt. (aankondigen)
  3. De raad heeft de komst van de gedeputeerde te laat ___. (melden)
  4. De ombudsman heeft in het jaarverslag ___ dat de klachten sneller worden behandeld. (verklaren)
  5. De voorzitter heeft de uitslag van de verkiezingen in de zaal ___. (bekendmaken)
  6. Het college deelt mee dat de tarieven per 1 januari worden ___. (verhoogd)
  7. De burgemeester heeft de stand van zaken aan de bewoners ___. (meedelen)
  8. De raad heeft de nieuwe naam van het zwembad in de krant laten ___. (aankondigen)
  9. De stichting heeft het einde van de collectieve actie ___. (aankondigen)
  10. De voorzitter heeft de ontvangst van de gasten met een toespraak ___. (openen)
  11. De rekenkamer heeft in het rapport de onduidelijke regelgeving scherp ___. (bekritiseren)
  12. De regering heeft een nieuw onderzoek naar de uitvoering van de regeling ___. (aankondigen)