C1 · Verbs
Supporting and opposing
steunen, bijvallen, instemmen en tegenspreken in een debat.
- De bewoners ___ de nieuwe plannen voor het speelplein. (steunen)
- De oppositiefractie ___ de kritiek van de rekenkamer. (bijvallen met)
- De minister ___ met het voorstel van de commissie. (instemmen met)
- De raad heeft het amendement van de oppositie ___. (verwerpen)
- De wethouder ___ tegen het advies van de rekenkamer. (tegenwerpen)
- De bewoners willen dat de raad de klacht ___. (ondersteunen)
- De oppositie heeft in het debat de bezuiniging ___. (bestrijden)
- De commissie wil de mening van de bewoners in het rapport ___. (verwerken)
- De stichting steunt het voorstel en ___ de klacht van de melder bij de raad. (verdedigen)
- De minister sprak met de critici en ___ hun zienswijze in de toespraak. (verwerpen)
- De raadscommissie ___ de vreemde eis van de ombudsman in twijfel. (in twijfel trekken)
- De bewoners hebben de wethouder gevraagd hun verzet tegen het plan te ___. (verzet uiten tegen)