Learn Dutch
C1 · Verbs

Supporting and opposing

steunen, bijvallen, instemmen en tegenspreken in een debat.

  1. De bewoners ___ de nieuwe plannen voor het speelplein. (steunen)
  2. De oppositiefractie ___ de kritiek van de rekenkamer. (bijvallen met)
  3. De minister ___ met het voorstel van de commissie. (instemmen met)
  4. De raad heeft het amendement van de oppositie ___. (verwerpen)
  5. De wethouder ___ tegen het advies van de rekenkamer. (tegenwerpen)
  6. De bewoners willen dat de raad de klacht ___. (ondersteunen)
  7. De oppositie heeft in het debat de bezuiniging ___. (bestrijden)
  8. De commissie wil de mening van de bewoners in het rapport ___. (verwerken)
  9. De stichting steunt het voorstel en ___ de klacht van de melder bij de raad. (verdedigen)
  10. De minister sprak met de critici en ___ hun zienswijze in de toespraak. (verwerpen)
  11. De raadscommissie ___ de vreemde eis van de ombudsman in twijfel. (in twijfel trekken)
  12. De bewoners hebben de wethouder gevraagd hun verzet tegen het plan te ___. (verzet uiten tegen)