Learn Dutch
C1 · Verbs

Proposing and putting forward

een voorstel indienen, voorleggen en op tafel leggen.

  1. De fractie heeft een amendement tegen de tariefsverhoging ___. (indienen)
  2. Het college wil het plan voor de herinrichting ter consultatie ___. (voorleggen)
  3. De wethouder ___ de maatregel tijdens de raadsvergadering op tafel. (leggen)
  4. De bewonersorganisatie heeft een alternatief voor de herinrichting ___. (voorstellen)
  5. De raad heeft de wethouder gevraagd de plannen aan de commissie ___. (voorleggen)
  6. De commissie heeft in het rapport nieuwe maatregelen ___. (opperen)
  7. De minister heeft een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ___. (indienen)
  8. De bewoners willen hun ideeen over de groene ruimte in de wijk aan de orde ___. (brengen)
  9. Het college heeft de raad een concreet voorstel over de tarieven ___. (presenteren)
  10. De oppositie ___ een alternatieve begroting. (opstellen)
  11. De bewoners hebben de gemeente gevraagd het ontwerp openbaar te ___. (maken)
  12. De raad heeft de wethouder gevraagd de bezuiniging in de begroting te ___. (verantwoorden)