C1 · Verbs
Postponing and cancelling
uitstellen, opschorten en annuleren in een formele context.
- De raad heeft de behandeling van de begroting drie weken ___. (uitstellen)
- De organisatie moest de bijeenkomst vanwege het virus ___. (annuleren)
- Het college heeft de start van de werkzaamheden ___. (opschorten)
- De bewoners willen weten of de aannemer het werk wil ___. (afzeggen)
- De raad heeft de tariefsverhoging van vorig jaar ___. (terugdraaien)
- De bewoners hebben de organisatie gevraagd de excursie niet ___. (afschorten)
- De minister heeft aangekondigd dat de behandeling van het wetsvoorstel wordt ___. (uitstellen)
- De huurdersvereniging heeft de geplande herinrichting van de wijk ___. (intrekken)
- De bewoners willen weten of de raad de aanvraag wil ___. (annuleren)
- De rekenkamer heeft gevraagd de inzending van de stukken ___. (opschorten)
- Door de stroomstoring moest het college de informatieavond ___. (afblazen)
- De stichting heeft het evenement niet willen ___. (annuleren)