Learn Dutch
C1 · Verbs

Postponing and cancelling

uitstellen, opschorten en annuleren in een formele context.

  1. De raad heeft de behandeling van de begroting drie weken ___. (uitstellen)
  2. De organisatie moest de bijeenkomst vanwege het virus ___. (annuleren)
  3. Het college heeft de start van de werkzaamheden ___. (opschorten)
  4. De bewoners willen weten of de aannemer het werk wil ___. (afzeggen)
  5. De raad heeft de tariefsverhoging van vorig jaar ___. (terugdraaien)
  6. De bewoners hebben de organisatie gevraagd de excursie niet ___. (afschorten)
  7. De minister heeft aangekondigd dat de behandeling van het wetsvoorstel wordt ___. (uitstellen)
  8. De huurdersvereniging heeft de geplande herinrichting van de wijk ___. (intrekken)
  9. De bewoners willen weten of de raad de aanvraag wil ___. (annuleren)
  10. De rekenkamer heeft gevraagd de inzending van de stukken ___. (opschorten)
  11. Door de stroomstoring moest het college de informatieavond ___. (afblazen)
  12. De stichting heeft het evenement niet willen ___. (annuleren)