Learn Dutch
C1 · Verbs

Considering and weighing up

overwegen, afwegen en betrekken bij een afweging.

  1. De raad heeft het voorstel uitgebreid ___. (overwegen)
  2. Het college ___ of de maatregel het probleem oplost. (afwegen of)
  3. De bewoners willen dat hun zorgen bij de beslissing worden ___. (betrokken)
  4. De rekenkamer heeft de kosten van de maatregel in haar afweging ___. (meenemen)
  5. De wethouder zal de gevolgen voor de bewoners zorgvuldig ___. (afwegen)
  6. De raad heeft de aanvraag in overweging willen ___. (nemen)
  7. De commissie moet de haalbaarheid van het ontwerp bij het beleid ___. (betrekken)
  8. De bewonersorganisatie heeft de veranderingen in het ontwerp grondig ___. (beoordelen)
  9. Voor de definitieve keuze moet de raad de opties nog eens ___. (afwegen)
  10. De minister heeft de gevolgen van het besluit voor de regio niet ___. (inschatten)
  11. De raad moet bij de afweging ook de belangen van de bewoners ___. (meewegen)
  12. De bewoners vinden dat hun mening door de raad is ___. (meenemen)