Learn Dutch
C1 · Verbs

Realising and becoming aware

zich realiseren, beseffen, doorzien en inzien in een formele context.

  1. Het college ___ zich dat de procedure te omslachtig was voor de aanvragers. (zich realiseren dat)
  2. De raad heeft de bewoners gevraagd de gevolgen van de tariefsverhoging te ___. (beseffen)
  3. De commissie ___ dat de procedure in de praktijk ontoegankelijk was voor ouderen. (inzien dat)
  4. De rekenkamer heeft de verantwoording van de subsidie grondig ___. (doorzien)
  5. De bewoners moeten ___ dat de sanering nog jaren zal duren. (zich realiseren)
  6. Pas tijdens de hoorzitting ___ de onderzoekers dat de cijfers onvolledig waren. (beseffen)
  7. De minister heeft de ombudsman gevraagd de werkwijze grondig te ___. (evalueren)
  8. Het college heeft in het jaarverslag de eigen tekorten ___. (inzien)
  9. De bewoners willen weten wanneer de gemeente de hinder het groeiende verkeer heeft ___. (verzachten)
  10. De rekenkamer heeft de ambtenaren gevraagd de eigen verantwoordelijkheid te ___. (inzien)
  11. Toen de cijfers bekend werden, ___ de raad zich de omvang van het tekort. (zich realiseren)
  12. De ombudsman heeft de dienst gevraagd de klachten zorgvuldig te ___. (beoordelen)