C1 · Verbs
Expecting and anticipating
verwachten, verwachtingen uiten, anticiperen op, tegemoetkomen.
- De raad ___ dat de bezuiniging pas in 2027 pakt. (verwachten dat)
- De bewoners ___ een duidelijke reactie op hun bezwaar. (verwachten van)
- De minister heeft de beloften voor het komende jaar in een toespraak ___. (uitten)
- Het college moet op de komende bevolkingsgroei ___. (anticiperen op)
- De aanbieder moet de eisen van de opdrachtgever ___. (tegemoetkomen aan)
- De rekenkamer verwacht dat de dienst de aanbevelingen van vorig jaar deze keer wel ___. (opvolgen)
- De bewonersorganisatie heeft de wethouder gevraagd de beloften van de verkiezingscampagne waar te ___. (maken)
- De raad heeft de bewoners gewaarschuwd dat de vertraging ___ . (verwachten)
- De instelling moet aan de eisen van de certificeringsnorm ___ . (voldoen)
- De bewoners willen dat de raad de wensen van de wijk ___ . (verwerkelijken)
- Het college heeft de raad een concreet tijdpad ___. (voorleggen)
- De minister heeft de bevolking gevraagd zich op de veranderingen voor te ___. (voorbereiden)