Learn Dutch
C1 · Verbs

Expecting and anticipating

verwachten, verwachtingen uiten, anticiperen op, tegemoetkomen.

  1. De raad ___ dat de bezuiniging pas in 2027 pakt. (verwachten dat)
  2. De bewoners ___ een duidelijke reactie op hun bezwaar. (verwachten van)
  3. De minister heeft de beloften voor het komende jaar in een toespraak ___. (uitten)
  4. Het college moet op de komende bevolkingsgroei ___. (anticiperen op)
  5. De aanbieder moet de eisen van de opdrachtgever ___. (tegemoetkomen aan)
  6. De rekenkamer verwacht dat de dienst de aanbevelingen van vorig jaar deze keer wel ___. (opvolgen)
  7. De bewonersorganisatie heeft de wethouder gevraagd de beloften van de verkiezingscampagne waar te ___. (maken)
  8. De raad heeft de bewoners gewaarschuwd dat de vertraging ___ . (verwachten)
  9. De instelling moet aan de eisen van de certificeringsnorm ___ . (voldoen)
  10. De bewoners willen dat de raad de wensen van de wijk ___ . (verwerkelijken)
  11. Het college heeft de raad een concreet tijdpad ___. (voorleggen)
  12. De minister heeft de bevolking gevraagd zich op de veranderingen voor te ___. (voorbereiden)