C1 · Verbs
Avoiding and withholding
vermijden, nalaten, uit de weg blijven, onthouden, afzien.
- De bewoners willen de fijnstof rond hun huis zoveel mogelijk ___. (vermijden)
- De instelling heeft de meldingsplicht ___ . (nalaten)
- De raad heeft de wethouder gevraagd de fijnstof niet in de woonomgeving te ___. (vermijden)
- Het college heeft besloten van de fusie ___ . (afzien van)
- De bewoners willen de belastingverhoging in het jaarverslag niet ___ . (onthouden)
- De rekenkamer heeft in het rapport de onvolledige dossiers niet ___ . (onthouden)
- De aannemer heeft de slechte staat van de weg voor de bewoners niet ___ . (verzwijgen)
- De raad wil een herziening van het beleid niet ___ . (uit de weg gaan)
- De ombudsman heeft de klacht over de belasting niet ___ . (nalaten)
- De bewonersorganisatie heeft de gemeente gevraagd de belasting voor de diensten niet te ___. (verhogen)
- De directie heeft de medewerkers gevraagd de oude werkwijze zoveel mogelijk te ___. (vermijden)
- De raad heeft de bewoners gevraagd de uitspraak van de bewoners niet ___ . (verzwijgen)