Learn Dutch
C1 · Verbs

Avoiding and withholding

vermijden, nalaten, uit de weg blijven, onthouden, afzien.

  1. De bewoners willen de fijnstof rond hun huis zoveel mogelijk ___. (vermijden)
  2. De instelling heeft de meldingsplicht ___ . (nalaten)
  3. De raad heeft de wethouder gevraagd de fijnstof niet in de woonomgeving te ___. (vermijden)
  4. Het college heeft besloten van de fusie ___ . (afzien van)
  5. De bewoners willen de belastingverhoging in het jaarverslag niet ___ . (onthouden)
  6. De rekenkamer heeft in het rapport de onvolledige dossiers niet ___ . (onthouden)
  7. De aannemer heeft de slechte staat van de weg voor de bewoners niet ___ . (verzwijgen)
  8. De raad wil een herziening van het beleid niet ___ . (uit de weg gaan)
  9. De ombudsman heeft de klacht over de belasting niet ___ . (nalaten)
  10. De bewonersorganisatie heeft de gemeente gevraagd de belasting voor de diensten niet te ___. (verhogen)
  11. De directie heeft de medewerkers gevraagd de oude werkwijze zoveel mogelijk te ___. (vermijden)
  12. De raad heeft de bewoners gevraagd de uitspraak van de bewoners niet ___ . (verzwijgen)