Learn Dutch
C1 · Verbs

Verb clusters

Passives, modals and perfects at the end of subordinate clauses.

  1. Het is onduidelijk waarom de brief niet eerder verstuurd ___. (zijn)
  2. Ik betwijfel of dat probleem binnen een jaar opgelost kan ___. (worden)
  3. Hij beweert dat hij dat onmogelijk had ___ weten. (kunnen)
  4. Als de cijfers eerder gepubliceerd ___, was de ophef voorkomen. (zijn)
  5. Het was jammer dat de zaal niet op tijd ___ worden vrijgemaakt. (kunnen)
  6. Ik had niet gedacht dat de discussie zo hoog zou ___ oplopen. (kunnen)
  7. Men verwacht dat de wet volgend jaar ___ worden ingevoerd. (zullen)
  8. De burgemeester geeft toe dat er destijds fouten ___ gemaakt. (zijn)
  9. Het voorstel had nooit ingediend mogen ___. (worden)
  10. Ze vertelde dat ze haar collega's lang ___ zien worstelen. (hebben)
  11. Ik vind dat dit onderzoek allang afgerond had ___ zijn. (moeten)
  12. Het is de vraag of de schade nog hersteld ___ worden. (kunnen)