Learn Dutch
C1 · Verbs

Double infinitives

Perfect tenses with modals, laten, blijven, zien, horen…

  1. Ik heb de minister helaas niet ___ spreken. (kunnen)
  2. Je had echt niet ___ te komen. (hoeven)
  3. Wij hebben het rapport door een externe partij ___ controleren. (laten)
  4. Hij had dat in het openbaar nooit ___ zeggen. (mogen)
  5. Ik heb haar vaak ___ zingen, maar nooit zo mooi als gisteren. (horen)
  6. Na de lezing zijn we nog urenlang ___ praten. (blijven)
  7. Ben je de nieuwe tentoonstelling al ___ bekijken? (gaan)
  8. Ik had het je eerder ___ vertellen. (moeten)
  9. Ik heb de hele avond op je ___ wachten. (zitten)
  10. Het bestuur had het voorstel graag ___ steunen. (willen)
  11. Zonder die subsidie had het museum zijn deuren moeten ___. (sluiten)
  12. De directeur heeft de fout nog ___ te verdoezelen. (proberen)