C1 · Verbs
Verbs with te + infinitive
schijnen, blijken, dreigen, weigeren and perfect infinitives with te.
- Vorig jaar ___ het kabinet over deze kwestie te vallen. (dreigen)
- De verdachte ___ het land al te hebben verlaten, meldt de politie. (schijnen)
- Zij beweert de brief nooit ___ te hebben. (ontvangen)
- Hij vertrok zonder afscheid ___ te hebben. (nemen)
- Vorige week ___ de schatting veel te optimistisch te zijn geweest. (blijken)
- Aanvankelijk ___ het probleem mee te vallen. (lijken)
- Ik herinner me hem ooit ___ te hebben. (ontmoeten)
- U ___ zich niet aan te melden; de toegang is vrij. (hoeven)
- Het rapport lijkt haastig ___ te zijn. (schrijven)
- Tijdens het verhoor ___ ze te weten wie de dader was. (beweren)
- Kom snel, hij ___ al de hele middag op je te wachten! (zitten)
- De minister ___ gisteren in te gaan op vragen van journalisten. (weigeren)