Learn Dutch
C1 · Verbs

Verbs with te + infinitive

schijnen, blijken, dreigen, weigeren and perfect infinitives with te.

  1. Vorig jaar ___ het kabinet over deze kwestie te vallen. (dreigen)
  2. De verdachte ___ het land al te hebben verlaten, meldt de politie. (schijnen)
  3. Zij beweert de brief nooit ___ te hebben. (ontvangen)
  4. Hij vertrok zonder afscheid ___ te hebben. (nemen)
  5. Vorige week ___ de schatting veel te optimistisch te zijn geweest. (blijken)
  6. Aanvankelijk ___ het probleem mee te vallen. (lijken)
  7. Ik herinner me hem ooit ___ te hebben. (ontmoeten)
  8. U ___ zich niet aan te melden; de toegang is vrij. (hoeven)
  9. Het rapport lijkt haastig ___ te zijn. (schrijven)
  10. Tijdens het verhoor ___ ze te weten wie de dader was. (beweren)
  11. Kom snel, hij ___ al de hele middag op je te wachten! (zitten)
  12. De minister ___ gisteren in te gaan op vragen van journalisten. (weigeren)