C1 · Verbs
Participles in use
Present and past participles as adjectives and in phrases.
- De ___ kosten baren ons grote zorgen. (stijgen)
- Eenmaal in Den Haag ___, ging de delegatie direct aan tafel. (aankomen)
- ___ de omstandigheden is dit een redelijk resultaat. (zien)
- Het onlangs ___ rapport bevat weinig nieuws. (verschijnen)
- Al ___ leert men. (doen)
- ___ op de begroting moeten we keuzes maken. (letten)
- De ___ partijen bereikten na urenlang overleg een akkoord. (betrekken)
- Hij sprak met ___ stem. (trillen)
- ___ door het succes verlengde het museum de tentoonstelling. (aanmoedigen)
- De ___ discussie over de pensioenen verlamt het overleg. (aanhouden)
- De ___ maatregelen gaan per 1 januari in. (voorstellen)
- Het ___ jaar was voor velen zwaar. (aflopen)