Learn Dutch
C1 · Verbs

Participles in use

Present and past participles as adjectives and in phrases.

  1. De ___ kosten baren ons grote zorgen. (stijgen)
  2. Eenmaal in Den Haag ___, ging de delegatie direct aan tafel. (aankomen)
  3. ___ de omstandigheden is dit een redelijk resultaat. (zien)
  4. Het onlangs ___ rapport bevat weinig nieuws. (verschijnen)
  5. Al ___ leert men. (doen)
  6. ___ op de begroting moeten we keuzes maken. (letten)
  7. De ___ partijen bereikten na urenlang overleg een akkoord. (betrekken)
  8. Hij sprak met ___ stem. (trillen)
  9. ___ door het succes verlengde het museum de tentoonstelling. (aanmoedigen)
  10. De ___ discussie over de pensioenen verlamt het overleg. (aanhouden)
  11. De ___ maatregelen gaan per 1 januari in. (voorstellen)
  12. Het ___ jaar was voor velen zwaar. (aflopen)