Learn Dutch
C2 · Adjectives & articles

Archaic and literary adjective forms

Old-fashioned and official adjective forms, and participles as adjectives.

  1. Mevrouw de minister sprak de ___ leden van de commissie toe. (geacht)
  2. De ___ heer Van den Berg werd door de voorzitter begroet. (weledel)
  3. De brief was ondertekend door het ___ College van Beraad. (hooggeëerd)
  4. Het museum beschikt over een ___ collectie Nederlands zilver. (ongebruikelijk)
  5. In de kast lag nog een ___ wapen van de oude familie. (verborgen)
  6. Het schilderij, ___ in 1901 op een zolder gevonden werd, is nu het pronken van het museum. (verborgen)
  7. De heer was ___ van de beschuldiging en kon onmiddellijk gaan. (vrij)
  8. Het dorp bleef ___ en leeg achter na de overstroming. (onbewoond)
  9. In de oude letterkunde is ___ taalgebruik gebruikelijk dat vandaag misstaat. (oud)
  10. Het boek heeft een ___ einde: een nooit verzonden brief aan zijn dochter. (onafgemaakt)
  11. De brief is in ___ toestand aangetroffen. (onbeschadigd)
  12. Zij hield zich ___ van de oude taal van haar grootmoeder. (ver)