Learn Dutch
C2 · Adjectives & articles

Fixed forms with een oud

De- and het-words after een oud in old-fashioned expressions.

  1. Op de zolder stond een ___ schilderij uit de zeventiende eeuw. (oud)
  2. Mijn overgrootvader was een ___ man, die nooit iets deed zonder eerst te beraadslagen. (oud)
  3. In de kast lag nog een ___ mantel van haar overgrootmoeder. (oud)
  4. Het huis was al ___, maar het dak was nog in orde. (oud)
  5. De veiling van het ___ goed bracht nauwelijks een paar honderd euro op. (oud)
  6. Zij herkende haar grootmoeder meteen: dezelfde ogen, hetzelfde ___ voorhoofd. (oud)
  7. Bij de ingang van het dorp stond een ___ steen met een jaartal erop. (oud)
  8. Het museum verwierp het ___ goud, omdat de herkomst onbekend was. (oud)
  9. Mijn baas was een ___ baas, streng maar rechtvaardig. (oud)
  10. Ze serveerde een dikke snede ___ brood met zout en kaas. (oud)
  11. Zij is een ___ vrouw, al doet haar haar anders vermoeden. (oud)
  12. Een ___ mens kan nog leren, zeggen de artsen in de advertentie. (oud)