Learn Dutch
C2 · Adjectives & articles

Adjectives: comparison in context

Des te, hoe langer hoe, zo … als, op zijn + superlative and niets + comparative + -s.

  1. Hoe meer ik erover nadenk, des te ___ vind ik het. (vreemd)
  2. Het werd hoe langer hoe ___. (donker)
  3. Ze is lang niet zo ___ als ze lijkt. (zelfverzekerd)
  4. Dit is het ___ wat ik ooit heb gezien. (afschuwelijk)
  5. Hij rende zo ___ als hij kon. (hard)
  6. Het interieur was op zijn ___. (sober)
  7. Er is niets ___ dan een warm bad na een lange wandeling. (heerlijk)
  8. Hij wil altijd iets ___ dan de buren. (duur)
  9. Dit is een van de ___ boeken die ik ken. (aangrijpend)
  10. Hij is veel minder ___ dan zijn vader. (spraakzaam)
  11. Bij de onderhandelingen trokken de boeren aan het ___ eind. (kort)
  12. Hij is niet de ___, maar wel heel ijverig. (snugger)