Learn Dutch
C2 · Adjectives & articles

Adjectives: tricky endings

Participles, material adjectives, indeclinable adjectives and spelling changes.

  1. De ___ afspraken worden niet nagekomen. (gemaakt)
  2. Een ___ kind krijgt altijd zijn zin. (verwend)
  3. De ___ brieven zijn nooit teruggevonden. (verdwenen)
  4. Ze droeg een ___ sjaal. (zijden)
  5. Het ___ deel van de bevolking is tegen. (overgroot)
  6. Ze had altijd een ___ antwoord klaar. (adrem)
  7. Er hing een ___ sfeer in de zaal. (gespannen)
  8. Hij kwam op het feest in een ___ broek. (oranje)
  9. We overnachtten in een ___ kasteel. (middeleeuws)
  10. De ___ uitslag wordt morgen bekendgemaakt. (definitief)
  11. Na de nederlaag trok hij een ___ gezicht. (beteuterd)
  12. Hij is van ___ afkomst. (adellijk)