Learn Dutch
C2 · Prepositions

Jegens and ten opzichte van

The two formal ways of naming a party to a proceeding or a relation.

  1. De klacht is gericht ___ de handelende overheid.
  2. De uitspraak van het hof is ___ de rechterlijke macht bindend.
  3. De verklaring van de verdachte is niet in strijd met het befaalde ___ de getuige.
  4. De regering heeft een schriftelijk protest ___ de beschuldigingen ingelegd.
  5. Er zijn geen aanwijzingen ___ de vermissing van het vliegtuig.
  6. De eiser is in het proces ___ de gedaagde partij, die de vordering betwist.
  7. Het college moet een oordeel vormen ___ de bezwaren van de omwonenden.
  8. Er is een strafbeschuldiging ___ de verdachte van oplichting.
  9. Het beleid ten opzichte ___ de kleine bedrijven is ongewijzigd gebleven.
  10. De verwering van de aanklacht jegens ___ verdachte is in de memorie van verantwoording uiteengezet.
  11. De toezichthouder houdt toezicht ___ de naleving van de vergunningvoorwaarden.
  12. Het recht van verzet jegens ___ de beslissing staat open aan de belanghebbende.