Learn Dutch
C2 · Prepositions

Adjectives with prepositions

Literary and formal adjective + preposition combinations.

  1. Na de nederlaag is de ploeg gebrand ___ revanche.
  2. Het rapport is volledig gespeend ___ zelfkritiek.
  3. Deze stad is rijk ___ monumenten.
  4. De schrijver is afkerig ___ elke vorm van publiciteit.
  5. De regering is beducht ___ onrust op straat.
  6. Sinds die vergadering is ze gebeten ___ haar collega.
  7. De nieuwe directeur bleek niet ___ zijn taak berekend.
  8. Prijzen en voorwaarden zijn ___ wijziging onderhevig.
  9. Ze is erg verknocht ___ haar geboortedorp.
  10. Het land is al jaren verwikkeld ___ een burgeroorlog.
  11. Geen enkele bewindspersoon blijft gevrijwaard ___ kritiek.
  12. Hij is altijd zeer bedacht ___ zijn eigen voordeel.