Learn Dutch
C2 · Prepositions

Prepositions of degree and approximation

Prepositions that mark an amount, a limit, a rate or a margin.

  1. De vergadering begint ___ half tien.
  2. De koers van de euro bedraagt momenteel ___ 1,08 dollar.
  3. De wisselkoers werd vastgesteld ___ 1,45 euro per dollar.
  4. De stad telt ___ 90.000 inwoners.
  5. De temperatuur lag die nacht ___ het vriespunt.
  6. De omzet steeg vorig jaar met ___ 12 procent.
  7. De aanvraag werd ingediend ___ de wettelijke termijn van zes weken.
  8. De winst daalde ___ 8 procent.
  9. De bezetting van de school ligt ___ het landelijk gemiddelde.
  10. Te ___ van de nacht hoorde hij de klokken van de toren.
  11. De koers bleef ___ de grens van de toegestane afwijking.
  12. Zij legde het aanbod ___ de marktprijs van concurrenten.