Learn Dutch
C2 · Prepositions

Prepositions in idiomatic set phrases

Frozen expressions where only one preposition fits.

  1. De constructiefouten vielen meteen ___ de gaten.
  2. De directeur hangt al een uur ___ de lijn met de advocaat.
  3. De huurprijzen zijn ___ de wolken geschoten.
  4. Je hebt het ___ te pakken: de directeur is ontslagen.
  5. De fotograaf gaf een antwoord dat ___ de smaak van het publiek viel.
  6. Hij liet de rest van het team ___ de kou.
  7. Dat hoorde ik ___ de eerste hand van de directeur zelf.
  8. In dat huis wordt het spel ___ de kaak gespeeld.
  9. In 1953 zijn duizenden huizen ___ water gelopen.
  10. Al zijn pogingen om een vergunning te krijgen gingen ___ de zeef.
  11. Na het faillissement zat het gezin ___ de pot.
  12. Hij liep de hele dag met zijn hoofd ___ de wolken.