Learn Dutch
C2 · Prepositions

Nouns with fixed prepositions

Abstract nouns and the preposition they take.

  1. Er bestaat geen twijfel ___ zijn goede bedoelingen.
  2. De vraag ___ betaalbare woningen blijft groot.
  3. Hij heeft een diepe afkeer ___ hypocrisie.
  4. Zijn invloed ___ het beleid wordt schromelijk overschat.
  5. Ze heeft geen enkel benul ___ wat er speelt.
  6. Er is grote behoefte ___ duidelijkheid.
  7. Uit eerbied ___ de overledene werd de wedstrijd afgelast.
  8. Het verbod ___ roken in cafés geldt sinds 2008.
  9. Hij diende zijn ontslag in uit protest ___ de bezuinigingen.
  10. Er bestaat een nauw verband ___ armoede en gezondheid.
  11. Het onderzoek ___ de oorzaak van de brand loopt nog.
  12. Mijn vader heeft altijd al een zwak ___ oude auto's gehad.