C2 · Prepositions
Time, place & direction
Islands, regions, fixed time phrases and circumpositions.
- Ze woont al jaren ___ Texel.
- Scheveningen ligt ___ zee.
- De factuur dient binnen dertig dagen ___ dato te worden voldaan.
- Door de staking zaten duizenden reizigers urenlang vast ___ Schiphol.
- Ze wonen ___ een steenworp afstand van het station.
- Mijn grootouders hadden een boerderij ___ de Veluwe.
- Ze moest het hele stuk ___ de wind in fietsen.
- Hij is afkomstig ___ het platteland.
- De nieuwe weg loopt in een grote boog ___ het dorp heen.
- Deze kerk dateert ___ de twaalfde eeuw.
- Het museum is ___ nader order gesloten.
- De vissers vertrokken ___ alle vroegte.