Learn Dutch
C2 · Prepositions

Time, place & direction

Islands, regions, fixed time phrases and circumpositions.

  1. Ze woont al jaren ___ Texel.
  2. Scheveningen ligt ___ zee.
  3. De factuur dient binnen dertig dagen ___ dato te worden voldaan.
  4. Door de staking zaten duizenden reizigers urenlang vast ___ Schiphol.
  5. Ze wonen ___ een steenworp afstand van het station.
  6. Mijn grootouders hadden een boerderij ___ de Veluwe.
  7. Ze moest het hele stuk ___ de wind in fietsen.
  8. Hij is afkomstig ___ het platteland.
  9. De nieuwe weg loopt in een grote boog ___ het dorp heen.
  10. Deze kerk dateert ___ de twaalfde eeuw.
  11. Het museum is ___ nader order gesloten.
  12. De vissers vertrokken ___ alle vroegte.