Learn Dutch
C2 · Prepositions

Verbs with fixed prepositions

Formal and less common verb + preposition combinations.

  1. De wethouder heeft zich schuldig gemaakt ___ belangenverstrengeling.
  2. De koningin deed in 2013 afstand ___ de troon.
  3. De minister ging niet ___ de vraag van het Kamerlid in.
  4. Uw aanvraag voldoet niet ___ de gestelde eisen.
  5. Zo’n opmerking getuigt ___ weinig respect.
  6. Ik kan me niet vinden ___ dit voorstel.
  7. Het land gaat gebukt ___ een torenhoge staatsschuld.
  8. Twee leden onthielden zich ___ stemming.
  9. Haar inzet strekt haar ___ eer.
  10. Na drie weken dieet is hij toch ___ de verleiding bezweken.
  11. Het plan stuitte ___ hevig verzet in de gemeenteraad.
  12. Als huurder kunt u geen aanspraak maken ___ een vergoeding.