Beste familie van Ans, beste collega’s, beste oud-leerlingen – en dat zijn er vandaag nogal wat, zie ik. Ans zou het verschrikkelijk hebben gevonden. Niet dat jullie hier zijn, maar dat er over haar gesproken wordt. Ze had een hekel aan toespraken, vooral aan toespraken over haarzelf. Ik zal het daarom kort houden, al weet ik nu al dat dat me niet gaat lukken.
Ans gaf eenenveertig jaar Frans aan het Stedelijk Gymnasium. Eenenveertig jaar onregelmatige werkwoorden, eenenveertig jaar Le Petit Prince, eenenveertig jaar leerlingen die beweerden dat hun huiswerk in de regen was beland. Ze geloofde er nooit één, en ze strafte er ook nooit één. ‘Wie zo’n slecht verhaal verzint,’ zei ze, ‘heeft zijn straf al gehad.’
Wie haar niet kende, vond haar streng. Wie haar wél kende, wist dat ze streng was. Maar het was een strengheid die je serieus nam, en daarmee bereikte ze iets wat veel vriendelijkere docenten nooit lukte: ze zorgde ervoor dat je jezelf serieus ging nemen. Ik ben ervan overtuigd dat in deze zaal mensen zitten die zonder haar nooit de studie hadden gekozen die ze gekozen hebben. Ik ben er een van.
Ze had één zwakte, en die mag ik vandaag, denk ik, verklappen. Ans kon niet koken. Wie ooit bij haar heeft gegeten, weet waarover ik spreek; wie dat niet heeft, mag zich gelukkig prijzen. Ze wist het zelf ook. Bij elke uitnodiging hoorde de zin: ‘Er is brood, voor het geval dat.’ Er was altijd brood. Het brood was altijd nodig.
In haar laatste weken heb ik haar een paar keer bezocht. Ze was moe, maar niet minder scherp. Bij mijn laatste bezoek verbeterde ze nog mijn uitspraak van ‘inéluctable’, onontkoombaar. Ik heb me sindsdien vaak afgevraagd of dat toeval was. Ik denk het niet. Ans deed weinig toevallig, en ze sprak nooit een woord uit dat ze niet eerst had gewogen.
Ans, je hield niet van grote woorden, dus ik zal ze je besparen. Ik zeg alleen wat je zelf altijd zei aan het eind van een les, als de bel ging en niemand nog luisterde: ‘On continue la prochaine fois.’ We gaan door, de volgende keer. Dat beloven we je.