Het schilderij heet Simunssen in Noordsche Lothringen en is in 1937 gemaakt door een schilder die er zeven maanden aan werkte, van de eerste vorst tot de laatste. Het is een landschap, maar het is geen landschap: het is een getuige. De horizon is te laag, de lucht te groot, en de bocht in het water doet denken aan een hand die zich al heeft teruggetrokken maar nog niet is verdwenen.
De catalogus vermeldt de herkomst: particulier collectie, Zwitserland, 1911; kunsthandel, 1919; verzameling Van Dijk, 1948; daarna, in 1962, een museum dat wij hier niet willen noemen. Er zijn geen sporen van die reis achtergebleven, of toch niet: de achterkant van het doek draagt een stempel, half afgeweekt, waaruit niets meer dan een jaartal en een stad te lezen valt. Het is een klein beetje menselijk om daar een herinnering aan te willen zien.
Wat men zegt is dat de schilder een oorlog heeft willen laten zien die nog niet begonnen was. De bocht in het water is dan een grens, de lucht een dreiging, en de afwezigheid van mensen het ergste van alle. Ik geloof dat niet, en toch geloof ik het. Een schilder die zoiets wil zeggen, zegt het niet zo; hij schildert het en laat het staan tot de toeschouwer het zelf bedenkt, en dat is precies wat hier gebeurd is.
De conservatoren hebben drie jaar geduld gehad. Onder de verf zagen zij een andere lucht, grijzer en lager, en in de rand van het water een oude, gehavende romp van een schip. De schilder had het schip geschilderd en er later weer over heen geschilderd. Wat wij nu zien is dus een schilderij over een schilderij, en het onderscheid tussen de oorlog en de vrede is daarin niet meer te maken. Misschien is dat het punt. Misschien is een landschap dat over zijn eigen verleden heen ligt het enige landschap dat nog eerlijk is.