Learn Dutch
C2 · Reading

In praise of boredom

An essay on how boredom changed from a moral failing into a technical problem.

Er is een merkwaardige verschuiving gaande in de manier waarop wij over verveling spreken. Waar zij vroeger gold als een karakterfout – ‘alleen saaie mensen vervelen zich’, placht mijn grootmoeder te zeggen – is zij tegenwoordig een probleem dat moet worden opgelost, bij voorkeur binnen enkele seconden en met behulp van een scherm. De verveling is, kortom, van een morele kwestie een technische geworden.

Dat lijkt winst. Niemand hoeft zich immers nog te schamen voor iets wat met één duimbeweging verholpen kan worden. Maar wie nauwkeuriger kijkt, ziet dat er iets verloren is gegaan dat zich moeilijk laat benoemen. Verveling was niet alleen een leegte; zij was ook een ruimte. In die ruimte ontstonden – niet altijd, maar vaak genoeg – de dagdromen, de plannen, de ergernis die tot verandering leidt. Het kind dat zich op een regenachtige zondagmiddag stierlijk verveelde, bouwde uiteindelijk een hut van stoelkussens, en die hut was, in zekere zin, een daad van verzet tegen het niets.

Het zou te gemakkelijk zijn om hier de klaagzang aan te heffen die bij dit soort beschouwingen hoort: dat de jeugd verloren is, dat de smartphone ons dommer maakt, dat vroeger alles beter was. Zo eenvoudig ligt het niet. Ook vroeger werd de verveling bestreden, met kaartspelen, roddel en de eindeloze herhaling van dezelfde gesprekken. Het verschil zit niet in de wens om haar te verdrijven, maar in de snelheid en de volledigheid waarmee dat nu lukt. Tussen de eerste aanzet tot verveling en de verlossing ervan zit geen tijd meer, en het was juist in die tijd dat er iets kon gebeuren.

Men kan tegenwerpen dat ook het scherm vol ideeën zit, en dat is waar. Alleen zijn het andermans ideeën. Wie zich verveelt, wordt teruggeworpen op zichzelf; wie scrolt, wordt bediend. Het eerste is onaangenaam, het tweede comfortabel, en het is een oude wijsheid dat het comfortabele zelden het vruchtbare is.

Ik pleit dus niet voor een terugkeer naar de regenachtige zondag als pedagogisch instrument – al zou ik er, eerlijk gezegd, niet rouwig om zijn. Ik pleit voor iets bescheideners: voor het besef dat het ongemak van het lege moment niet per se een storing is die verholpen moet worden. Soms is het een uitnodiging. Dat men die uitnodiging meestal afslaat, is begrijpelijk. Dat men haar niet eens meer opmerkt, is jammer.

Questions

  1. Wat is volgens de auteur de kern van de verschuiving?
  2. Waar of niet waar? De auteur stelt dat vroeger alles beter was.
  3. Waarom heet de hut van stoelkussens ‘een daad van verzet tegen het niets’?
  4. Waarin zit volgens de auteur het eigenlijke verschil met vroeger?
  5. Welke tegenstelling staat centraal in alinea 4?
  6. Waar of niet waar? Met ‘al zou ik er niet rouwig om zijn’ laat de auteur weten dat hij een terugkeer naar de saaie zondag niet zou betreuren.