Er staat in mijn straat een bankje. Stond, moet ik zeggen, want sinds vorige maand is het bankje onderwerp van een participatietraject, en dat verdraagt zich slecht met gewoon blijven staan. Op een dinsdagochtend werd het met de grootst mogelijke zorgvuldigheid weggehaald door twee mannen in oranje hesjes, die mij desgevraagd verzekerden dat het ‘in het belang van de buurt’ was. Dat stelde me gerust. Als er iets is waar ik vertrouwen in heb, dan is het een belang dat niet nader wordt omschreven.
Een week later viel er een brief op de mat. De gemeente nodigde mij uit ‘mee te denken over de toekomst van de zitvoorziening aan de Lindelaan’. Er zou een avond worden georganiseerd, met koffie en een facilitator, om ‘alle perspectieven op te halen’. Ik heb lang nagedacht over mijn perspectief op het bankje. Het was, als ik eerlijk ben, vrij beperkt: je ging erop zitten en daarna stond je weer op. Maar ik begreep dat zo’n platte opvatting niet meer van deze tijd is.
De avond zelf was een groot succes, in de zin dat er veel werd gesproken. Een mevrouw van nummer 12 vond dat een nieuw bankje ‘inclusiever’ moest zijn, zonder te kunnen zeggen wie er door het oude was buitengesloten. Een jonge vader pleitte voor een bankje met zonnepanelen. De facilitator schreef alles op grote vellen papier, die vervolgens met plakband aan de muur werden bevestigd, zodat het geheel iets kreeg van een plaats delict. Na afloop kregen we een stemkaartje mee waarop we konden kiezen uit drie ontwerpen. Alle drie waren het bankjes. Dat noem ik nog eens keuzevrijheid.
Inmiddels zijn we vier maanden verder. Het participatietraject is ‘in de afrondende fase’, wat in ambtelijk Nederlands betekent dat niemand nog weet waar het begon. Er is een tussenrapportage verschenen van zevenendertig pagina’s, met een samenvatting van vier. Op pagina 22 staat dat ‘de behoefte aan zitgelegenheid breed wordt gedragen’. Ik heb het rapport ingelijst.
Meneer Bakker van de overkant, die vijfentachtig is en vroeger elke middag op het bankje zijn krant las, heeft inmiddels een klapstoeltje gekocht. Hij zet het neer op de plek waar het bankje stond en leest daar zijn krant. Gisteren kreeg hij een brief van de gemeente. Het plaatsen van meubilair in de openbare ruimte is zonder vergunning niet toegestaan. Hij mag uiteraard bezwaar maken. Er schijnt daar ook een traject voor te zijn.