Mijn grootvader sprak zelden over de nacht van 1953, en als hij het deed, dan in zinnen die eerder iets weglieten dan vertelden. ‘Het water kwam,’ zei hij dan, en daarna was het stil, alsof de rest van het verhaal vanzelf sprak, of juist helemaal niet uitgesproken kon worden. Ik was een kind en dacht dat volwassenen nu eenmaal zo praatten: met tussenruimtes waarin je zelf maar moest wonen.
Hij had een gewoonte die mijn moeder ‘zijn ronde’ noemde. Elke avond, ook in de zomer, als er geen wolkje aan de lucht was, liep hij de dijk op en bleef daar een poosje staan, de handen op de rug, het gezicht naar het westen. Hij keek niet naar de ondergaande zon, al dacht ik dat lange tijd. Hij keek naar het water, zoals een herder naar een kudde kijkt waarvan hij weet dat één dier niet te vertrouwen is.
Toen ik twaalf was, ging ik een keer mee. Het rook naar zout en naar gemaaid gras, en ergens achter ons blafte een hond die er, zo bleek later, altijd blafte. Ik vroeg hem waarom hij elke dag kwam kijken. Hij dacht lang na, langer dan de vraag verdiende, vond ik toen. ‘Om te zien of het er nog is,’ zei hij ten slotte. Ik begreep niet of hij het water bedoelde of de dijk, en ik durfde het niet te vragen, want er lag iets in zijn stem dat ik bij hem niet kende en dat ik pas jaren later, bij een begrafenis, terug zou horen.
Na zijn dood vonden we in de la van zijn bureau een schoolschrift. Op de eerste bladzijde stonden in zijn nette, schuine handschrift namen, met daarachter een leeftijd. Elf namen. De jongste was vier. Verder stond er niets in het schrift; de overige bladzijden waren leeg, en toch was het schrift dunner dan het had moeten zijn: er waren pagina’s uitgescheurd, zorgvuldig, langs een liniaal. Mijn moeder legde het schrift terug in de la en schoof die dicht, met een gebaar dat geen discussie toeliet.
Ik woon nu zelf aan het water, in een stad waar de zee achter sluizen en duinen is weggestopt als een familiegeheim. Soms, op een windstille avond, betrap ik mij erop dat ik naar de kade loop. Ik blijf er een poosje staan, de handen op de rug. Ik weet niet precies waarnaar ik kijk. Misschien om te zien of het er nog is.