Learn Dutch
C2 · Verbs

The infinitive as a subject

The nominal infinitive as the subject of a formal statement.

  1. Het is noodzakelijk de cijfers ___. (controleren)
  2. Een oordeel te ___ over de minister is een zwaar middel. (vellen)
  3. Om te ___ moet men de feiten kennen. (oordelen)
  4. Het vermogen om te ___ is geen vanzelfsprekende gave. (onderhandelen)
  5. De plicht om de bewoners te ___ rust zwaar op de woonlastcommissie. (informeren)
  6. Aarzelen om te ___ is in dit stadium geen verstandig beleid. (beslissen)
  7. Het is de moeite waard de oude stukken zorgvuldig te ___. (inventariseren)
  8. Hoe langer men wacht, hoe moeilijker het wordt de schade te ___. (beperken)
  9. Achteraf bezien was het onverstandig geweest de aanvraag zo laat in te ___. (dienen)
  10. Het voordeel van digitaal aanvragen is dat men niet hoeft te ___. (reizen)
  11. Er is weinig zinvol om nog langer te ___ over de oude cijfers. (twijfelen)
  12. Niets is zo overbodig als een toelichting die alleen maar moet bevestigen wat al ___. (bekend)